Kan het weer, in Fukushima wonen?

Wat werd er beweerd? De bewoners van dorpen rond Fukushima kunnen naar huis.Wat zegt de wetenschap? Als je alleen naar de kans op kanker kijkt.
Radiation_hotspot_in_Kashiwa_02

Verlaten straten, verwoeste huizen, tikkende stralingsmeters en mensen met gasmaskers. Dat zijn de beelden uit de Japanse provincie Fukushima die sinds de tsunami en daaropvolgende kernramp op ons netvlies staan gebrand. De regio is zo radioactief dat de tienduizenden geëvacueerden nooit meer kunnen terugkeren, zei de Japanse secretaris-generaal Shigeru Ishiba nog eind 2013. Maar twee weken geleden klonk er een ander geluid: de overheid laat bewoners uit sommige omliggende dorpen weer permanent naar huis gaan.

Dat zijn flink tegenstrijdige berichten. Hoe gevaarlijk is het nu eigenlijk om terug te keren?

Eerst maar het slechte nieuws. Zolang de kerncentrale niet is opgeruimd, blijft radioactief materiaal weglekken. De lekkage van cesium-137 is het grootste probleem: dat geeft kankerverwekkende straling af en komt makkelijk in grondwater en de lucht terecht. Over dertig jaar is de helft van al het verspreide cesium-137 nog radioactief.

Mensen zijn zelf namelijk sowieso al radioactief: we stralen per persoon continu zo’n 6.000 becquerel uit

Japanse wetenschappers houden sinds de kernramp zo veel mogelijk bij hoeveel cesium-137 in de natuur en in voeding terechtkomt. Zelfs in het nationale boompje, de kersenbloesem, is radioactief cesium te vinden, schrijven Toshihiro Yoshihara en zijn collega’s begin dit jaar in de Journal of Environmental Radioactivity. In rijst die in de regio Fukushima groeit, zit sinds de kernramp eveneens cesium-137.

Een kilo rijst bevat genoeg cesium-137 voor een stralingsdosis van 30 becquerel, constateerden de onderzoekers. Dat is minder levensbedreigend dan het klinkt. Mensen zijn zelf namelijk sowieso al radioactief: we stralen per persoon continu zo’n 6.000 becquerel uit. De 30 becquerel die daarbovenop komt door het eten van besmette rijst is dus niet veel en bovendien vergelijkbaar met de natuurlijke straling die bijvoorbeeld in bananen en paranoten zit. Ook fijn: cesium-137 blijft niet lang in het lichaam, omdat het overgrote deel gewoon uitplasbaar is.

Uiteindelijk is het de vraag hoe kankerverwekkend de optelsom aan straling van cesium-137 in de lucht, het water en het voedsel is. Daarvoor bestaat een speciale maat: de sievert, waarbij één sievert betekent dat de kans op kanker met 5,5 procent toeneemt. Uit metingen van de Japanse stralingsdienst blijkt dat tot 10 kilometer afstand van de kerncentrale genoeg cesium-137 te vinden is voor meer dan een halve sievert per jaar. Daarbuiten daalt het meetbare gevaar naar ongeveer eentiende sievert per jaar, oftewel iets meer dan een halve procent extra kans op kanker.

De angst voor straling kan misschien gevaarlijker zijn dan de straling zelf 

In de praktijk is een halve procent extra kans op kanker erg lastig te meten. Vooral omdat de kans dat iemand ooit in zijn leven kanker krijgt al best hoog ligt: 40 procent. Een halve procent meer of minder is dan nauwelijks van toeval te onderscheiden. Een voorbeeld. In Taiwan leefden duizenden mensen in een appartementencomplex waar per ongeluk radioactief kobalt in de muren verwerkt zat. Sommige inwoners vingen evenveel straling als in de 20-kilometerzone rondom de Fukushima-kerncentrale vandaag; iets meer dan eentiende sievert per jaar. Maar Taiwanese onderzoekers melden in het tijdschrift Dose Response dat ze in deze groep nauwelijks extra kankergevallen hebben kunnen vinden.

Een nieuw Japans onderzoek in het tijdschrift PNAS bevestigt die meevaller. Honderden mensen die in 2012 tijdelijk terugkeerden naar hun dorpen op zo’n 20 kilometer van de Fukushima-centrale kregen van Kouji Harada van de universiteit van Kyoto een stralingsmeter mee. Ze bleken niet meer dan een paar duizendste sievert per maand te vangen. Extra kankergevallen zijn niet of nauwelijks te verwachten, rekent Harada voor.

Dit betekent natuurlijk niet dat het allemaal wel meevalt in Fukushima. De maatschappelijke kosten blijven enorm: de ontmanteling van de kerncentrale kost al bijna 100 miljard euro en gaat naar verwachting dertig jaar duren. De sociale ontwrichting is ook niet mis: een onderzoek van de Japanse krant Mainichi Shimbun meldt dat de evacuatie uit Fukushima meer dan duizend levens heeft geëist. De angst voor straling kan misschien gevaarlijker zijn dan de straling zelf.

Dit artikel verscheen in de Volkskrant op 8 maart 2014 in de rubriek Waar / Niet Waar!.

de Volkskrant

 

 

 

Remmen met eieren

Wat werd er deze week beweerd? Automobilisten remmen sneller als zij eieren eten. Wat zegt de wetenschap? Een koffie graag.
Foto: Will Bakker
Foto: Will Bakker

‘Plotsklaps rent een spelend kind de weg op. Remmen!!’ Met dat scenario opende een persbericht van de Universiteit Leiden. De universiteit reikt meteen een tip aan om de reactiesnelheid op dit soort momenten te verbeteren: eet lekker veel eiwitrijke voeding, zoals pinda’s, amandelen, kip, yoghurt en eieren. Die bevatten tyrosine, een stof die onze hersenen in staat stelt om meer signaalstofjes aan te maken. Daardoor reageert een mens sneller, zo blijkt uit nieuw onderzoek van Leidse psychologen.

Het verhaal is een geschenk uit de hemel voor fabrikanten van voedingssupplementen die tyrosine in pilvorm verkopen. Een potje met vijftig pillen met elk 500 milligram tyrosine koop je voor 15 euro. Handig dus om bij u te dragen als u wél vlot wilt reageren, maar geen eieren of spinazie binnen handbereik hebt.

Klinkt als een wondermiddel. Maar hoe goed werkt de truc eigenlijk? Een snelle blik op de Leidse studie, in het tijdschrift Neuropsychologia, laat zien dat de onderzoekers netjes te werk zijn gegaan. Ze lieten een groep van 22 proefpersonen tweemaal op het lab langskomen, gaven ze de ene keer tyrosine en de andere keer een placebo, beide opgelost in sinaasappelsap. Daarna moesten de deelnemers een reactiesnelheidstest doen. En jawel hoor: tyrosine bleek te helpen.

Maar lees de kleine lettertjes en het resultaat is toch niet zo spectaculair als het aanvankelijk klinkt. Ten eerste blijkt dat de proefpersonen helemaal geen autorijtest deden. Dat valt tegen, want een beetje universiteit heeft gewoon een rijsimulator in huis. Toegegeven, die van de Universiteit Leiden is nog in aanbouw. [/column]

In plaats daarvan maakten de proefpersonen – allemaal studenten, aan de gemiddelde leeftijd van 20 jaar te zien – een testje op een computer. Die test gaat zo: op een beeldscherm zie je pijlen verschijnen die naar links of naar rechts wijzen. Zulke pijlen zitten ook op een speciaal toetsenbord. Zodra je een pijl op het scherm ziet, druk je zo snel mogelijk op de bijbehorende knop. Maar verschijnt er een rood pijltje, dan moet je de neiging onderdrukken om überhaupt een toets aan te slaan.

Wat het persbericht niet vermeldt, is dat de deelnemers met tyrosine achter de kiezen totaal niet sneller reageerden bij het indrukken van de juiste pijltjesknoppen. Dat leest u goed: de algemene reactiesnelheid werd niks beter door tyrosine. De proefpersonen waren alléén sneller wanneer ze de neiging moesten onderdrukken om een toets in te drukken. Of zich dat laat vertalen naar snel wisselen van je gas- naar rempedaal, is maar de vraag. Op de rem staan is niet hetzelfde als de neiging onderdrukken om gas te geven.

Als we dit bezwaar even opzij leggen, moeten we erkennen: de tyrosineslikkers waren echt een beetje sneller. Een ieniemieniebeetje. Om precies te zijn ging het om 15 duizendste seconde. Wanneer u met 50 kilometer per uur door de bebouwde kom rijdt en plotseling voor een kind moet remmen, is de remweg, inclusief 1,1 seconden reactietijd, 25 meter. Trek van de reactietijd die 15 duizendste seconde dankzij de tyrosine-opkikker af, dan daalt de remweg naar 24,8 meter.

Wilt u die prestatie – misschien – halen, dan moet u wel flink wat tyrosine slikken. Het liefst ‘s ochtends, wanneer het brein er het meest aan toe is. Het gaat dan om vier pillen, waarmee een pot van 15 euro er binnen anderhalve week doorheen is gejast. Wie gaat voor tyrosine uit gewone voeding, moet ‘s ochtends anderhalve kilo spinazie of een halve kilo kip naar binnen werken. Eieren zijn nog het best: daarvan hoeft u er maar drie te eten.

Voor wie in de ochtend niet zo graag een zware hap eet, werkt de cafeïne in een stevig kopje koffie overigens net zo goed. Uit de vakliteratuur blijkt de alertheidswinst van één kop sterke koffie vergelijkbaar met die van kilo’s kip, spinazie of ei.

De chemische formule van Tyrosine is C9H11NO3

Dit artikel verscheen in de Volkskrant op 1 maart 2014 in de rubriek Waar / Niet Waar!.

de Volkskrant

 

 

 

Zijn vrouwen geboren vredesonderhandelaars?

 

india

Een Syrisch vredesakkoord in Genève lijkt nog ver weg. Minister van Buitenlandse Zaken Frans Timmermans zei het nog zo: bij dat overleg moet je ook vrouwen betrekken. Die zijn volgens Timmermans ‘een essentieel onderdeel van de oplossing’. Daarmee doelt hij waarschijnlijk op een bijzondere eigenschap die vooral aan het vrouwelijke geslacht wordt toegedicht: een vrouw weet intuïtief tijdens heetgebakerde conflicten vrede te sluiten, waar een man juist hopeloos agressief blijft. Dus hup, meer dames aan de overlegtafel en klaar is Kees?

Nou, nee. Als vrouwen zich tijdens conflicten vreedzamer opstellen dan mannen, laten ze dat in ieder geval niet bepaald blijken wanneer ze zelf aan de macht zijn. Margaret Thatcher bijvoorbeeld, van 1979 tot 1990 premier van het Verenigd Koninkrijk, stuurde een legermacht op de Falklandeilanden af en noemde in 1989 de Amerikaanse president George H.W. Bush ‘zwak’ toen hij twijfelde of militair ingrijpen in Irak wel verstandig was. En Golda Meïr, begin jaren zeventig premier van Israël, oogde weliswaar als een charmante grootmoeder, maar wees alle mogelijke verzoeningsakkoorden die aan haar werden voorgelegd van de hand.

Van Thatcher en Meïr werd weleens gezegd dat ze meer man dan vrouw waren – de uitzonderingen die de regel bevestigen. Voor de vredelievende kracht van vrouwen moet je volgens onderzoekster Betty Reardon bij alledaagse moeders wezen. In haar boek Women and Peace schrijft ze het zo: ‘De moeders van de wereld, als zorgdragers voor jonge kinderen, zijn in de kern beschavende opvoeders van vrede.’

De Noorse psychologe Inger Skjelsbæk gelooft er niets van. Sterker nog: moederschap kan juist oorlogszucht en geweld in de hand werken, merkt ze op in haar boek Gender and Peace. Tijdens de Vietnamoorlog waren vrouwen bijvoorbeeld flink vertegenwoordigd in de Vietcong, de communistische verzetsgroep destijds. De vrouwen deden dat om hun kinderen en land te beschermen. Ze stuurden hun kroost van huis en gingen vervolgens zelf knokken.

In Amerika reageerden moeders tijdens de Vietnamoorlog juist met verzet: ze wilden hun zonen niet meer aan het conflict verliezen. Het verschil met de moeders in Vietnam, zo stelt Skjelsbæk, onthult dat deze reactie meer afhankelijk is van cultuur dan van moederschap of vrouwelijkheid.

Hoe zich dat allemaal vertaalt naar een verzoeningsgesprek zoals nu voor Syrië plaatsvindt, is lastig te zeggen. Wel is het zeker dat mannen en vrouwen, wanneer ze door onderzoekers worden gevraagd naar hun houding tegenover een vreedzame oplossing, eigenlijk niet veel van elkaar verschillen. Dat blijkt uit onderzoek van politicoloog Richard Eichenberg van Tufts University. Eichenberg verzamelde in 2007 tientallen Europese en Amerikaanse enquêtes die steun voor oorlog of een vreedzame oplossing hadden gepeild. Toentertijd bleek 57 procent van de Nederlandse mannen oorlog soms noodzakelijk te vinden, tegenover 40 procent van de vrouwen.

Bekijk die cijfers eens anders: nog altijd wil 43 procent van de mannen absoluut geen oorlog, net als 60 procent van de vrouwen. Daarmee komen we op een belangrijk punt: onderling verschillen vrouwen net zoveel van elkaar als dat ze gemiddeld van mannen verschillen. Dat betekent dat het grootste verschil in vreedzaamheid met iets anders te maken heeft dan het geslachtsorgaan dat al dan niet tussen de benen bungelt.

Wat iemand dan precies vreedzaam maakt, is natuurlijk weer een andere vraag. In elk geval hoeven we niet te verwachten dat de Syrische vredesonderhandeling ineens wonderbaarlijk de goede kant op gaat zodra er vrouwen aanschuiven. Wat niet wegneemt dat er misschien andere goede redenen zijn om vrouwen uit te nodigen. Zoals het feit dat ze een belangrijk deel van de bevolking vertegenwoordigen, bijvoorbeeld?

Dit artikel verscheen in de Volkskrant op 11 januari 2014.

de Volkskrant

 

 

 

Een maand geen land in zicht

Beste mensen: ik knijp er een maand tussenuit. Maar dat betekent allerminst dat ik verdwijn.

Vanaf de Atlantische Oceaan blijf ik schrijven en bloggen. Jawel, dat is een hele maand op zee. Daar kijk ik mee met een Nederlandse wetenschappelijke expeditie die 8 november van start gaat. En joepie, het expeditieschip heeft een internetverbinding (hallo, toekomst).

pelagia_300dpi
Het onderzoeksschip rv Pelagia, waarop we zullen varen.

We varen redelijk dichtbij de evenaar, van de kust van Mauritanië tot aan het Caribische eiland Sint Maarten.

Het doel van de tocht: wetenschappers van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek, ook wel het NIOZ, willen weten of klimaatverandering te beïnvloeden valt met algengroei in de Atlantische Oceaan. Algen plukken namelijk het broeikasgas CO2 uit de lucht. En daarom is het interessant om te weten wat de algen zoal te vreten krijgen. En of je ze kan ‘bijvoeren’.

Lees meer

Evolutie als tupperwareparty

Meelkevers zijn niet erg veeleisend als proefdier. Ze hebben zelfs geen water nodig.

Of hij er wel eens aan gedacht heeft om er een cake van te bakken? ‘Eh ja, dat is inderdaad wel eens in me opgekomen’, lacht Maurijn van der Zee terwijl hij een doosje meelkorrels inclusief krioelende meelwormen in een blikken zeef leegt. De zeef heeft iets weg van een taartvorm en wekt de indruk dat met een beetje boter en suiker het geheel zo de oven in kan. ‘Het schijnt heel lekker te zijn, maar niemand hier heeft het ooit geprobeerd’, voegt Van der Zee eraan toe.

meelkevers
Meelkevers in tupperware-bakjes.

De meelwormen – eigenlijk geen wormen maar larven van de meelkeversoort Tribolium castaneum – maken onderdeel uit van een reeks experimenten in het evolutielaboratorium van de Universiteit Leiden. Van der Zee werkt er als onderzoeker met enkele promovendi onder zijn hoede. Ze bestuderen de kleine meelkevers om grote vragen over evolutie te beantwoorden. Zoals: hoe ontstaan nieuwe soorten? En zijn belangrijke stappen in evolutie na te bootsen in het lab?

Lees meer

World Octopus Day!

Glibber, trek, floep, worstel: het zijn de woorden die ik associeer met het tofste dier op aarde. De octopus.

Ik heb eens ruzie met een octopus gehad terwijl ik onderzoek onder water deed, tijdens mijn studie. Op zo’n 4 meter diepte notuleerde ik met een potlood wat ik zoal voorbij zag zwemmen. Dat kan, schrijven onder water: je gebruikt een leitje. Die zijn meestal wit. De octopus, schuilend in een holletje tussen zeewier en steentjes, op zo’n twintig centimeter afstand, had ik niet gezien.

Het leitje. Daar had hij zijn zinnen op gezet. Plotseling voel ik een klap op mijn leitje. Drie armen uit het holletje plakken met hun zuignappen aan mijn schrijfwaar en trekken er met immense kracht aan. Een worstelpartij met de octopus volgt. Nog twee armen reiken uit naar het witte schrijfblad. Ik zet mijn vinnen diep in het zand en begin naar achteren te leunen. Nu pas krijg ik de overhand. Gelukkig maar, want ik snak inmiddels naar zuurstof. Ineens laten de armen los. Ik kukel in slow-motion (zoals dat onder water gaat), naar achteren. En hup, naar boven.

Einde verhaal.

In ieder geval: gisteren was het World Octopus Day. Ik was er niet bij, mocht het ergens gevierd worden. Dus vandaag een plaatje om alsnog de coolheid van octopussen te benadrukken. Een toffe, wetenschappelijk verantwoorde infographic van het Amerikaanse National Aquarium volstaat prima. Scroll naar onder voor wat foto’s van eigen makelij.

octopus_infographic1

 

[nggallery id=1]