Supermensen zoals in Bourne Legacy, het kan best

In ijswater zwemmen, lange afstanden in onmenselijke recordtijd afleggen en supersnelle wondgenezing: volgens de film The Bourne Legacy kan het allemaal met gentherapie. Klopt dat? Zo’n supermens met al die eigenschappen tegelijk bestaat (nog) niet, maar met genen frutselen richting Homo sapiens 2.0 is zeker niet ondenkbaar.

‘Koud hè’.

Hoe goed presteer je in de volgende scenario’s?

Eén: poedelnaakt naar de bodem van een half bevroren rivier duiken. Rustig naar boven zwemmen (ik haak hier al af). Twee: met een bloeddorstige wolf worstelen om een klein metalen pilletje tussen zijn op en neer klappende kaken te proppen. Drie: zonder touw of hulpmiddelen van de ene bergpiek naar de ander springen en daarmee het wereldrecord van alle bergklimhelden verbreken. Vier: van de derde verdieping uit een appartementenblok springen, landen, eventjes auw zeggen, maar daarna lekker verder rennen.

Al afgehaakt? Waarschijnlijk, want het zijn allemaal absurde manieren om je vrije tijd te vullen. Maar antwoord je op één of meer van deze opties ‘moeiteloos’, dan is de kans groot dat je niet een normale sterveling bent. Waarschijnlijk ben je iets anders. De nieuw en verbeterde Übermensch, Homo sapiens 2.0. Net als het karakter Aaron Cross uit de nieuwe film The Bourne Legacy, gespeeld door Jeremy Renner.

Cross kan al die bovenmenselijke dingen omdat er met zijn genen is gefrutseld. In het begin van de film doet hij dat met pillen, later krijgt hij een virus toegediend waarin de nieuwe genen verpakt zitten. Zijn lichaam kan daarom meer aan dan dat van de gemiddelde persoon. Hij heeft een betere conditie, kijkt niet zo op van extreme temperaturen, en flinke snij- en kogelwonden zijn niet enorm lastig. Pleister erop, een nachtje slapen en alles is weer tiptop in orde.

Oké, leuk, maar of het echt kan? Ja. Nou, in principe dan: Bourne Legacy is zoals zoveel films, en overdrijft lekker waar het kan. Het idee van gentherapie en het oppompen van de menselijke ligt echter heel dicht de huidige stand van zaken in de wetenschap. Sinds de uitvinding van gentherapie begin jaren negentig, is het onderzoekers inmiddels met grote regelmaat gelukt om DNA te veranderen met een virus. Vaak met proefdieren, maar ook wel met mensen. Neem Robert Johnson uit het Verenigd Koninkrijk. Geboren met een afwijking in het RPE65-gen, waardoor zijn ogen snel achteruitgaan, mocht hij in 2007 een goede versie van het RPE65-gen ontvangen. Een onschadelijk gemaakt virus droeg het pakketje genen, dat bij de achterkant van zijn oog werd ingebracht. Inmiddels zijn meer mensen met deze handige reparatiegenen behandeld. Dat hielp. Superscherp zien lukt ze niet, maar het is beter dan vrijwel volledige blindheid. De enige bijwerking: terwijl je lichaam de virusrestjes opruimt, doorloop je een grieperig avondje. Een kleine prijs.

Wim houdt van ijszitten. Dat houdt ‘ie lang vol: zijn record, een wereldrecord, zit op 1 uur en 52 minuten.

En zo simpel is het. DNA in virus verpakken, op de goede plek inspuiten, klaar is kees. De mogelijkheden zijn in principe eindeloos: elk gen dat je interessant lijkt om te dragen, kán je in principe dragen. Je hoeft alleen maar te weten welke genen je nodig hebt.

Zulke handige ‘supergenen’ zijn al ontdekt bij sporters en andere rare snuiters. Denk maar aan Wim Hof, ook wel bekend  ‘Iceman’. Die bijnaam is terecht, want hij kan dingen die in de laatste Bourne-film niet zouden misstaan. Zo beklom hij blootsvoets de Mount Everest en verbreekt hij regelmatig  ijszwemrecords, beide in een shorty. Uit onderzoek van de Universiteit Maastricht blijkt dat Hof ongewoon veel bruin vet in zijn lichaam draagt, waardoor hij supersnel energie verbrandt en zichzelf warm houdt – een droom voor wie veel wil eten maar tegelijk graag dun blijft. Hofs afwijking is hoogstwaarschijnlijk genetisch. Als de genen daarvoor worden ontdekt, zou kou lijden ineens niet zo erg meer hoeven zijn. IJszitten is dan niet meer een bezigheid voor de eenzame wereldrecordhouder, maar iets dat je met vrienden doet nadat je bij McDonalds uit de bocht bent gevlogen.

Sommige supergenen die in de Bourne-film zouden kunnen zitten, zijn al ontdekt. Hoewel trainen een bittere noodzaak is om topsport te kunnen beoefenen, onderscheiden de winnaars zich doorgaans met uitzonderlijke genen. Bijna alle topatleten dragen een speciale versie van het gen ACTN3. Onder gewone stervelingen komt het gen slechts bij één op de twee  mensen voor. Draag je dit gen niet, zo schreef biomedicus Juan Enriquez in het blad Nature, dan zou je je Olympische ambities moeten heroverwegen.

Dat gaat pijn doen. Of je van deze klap makkelijk geneest, zelfs met supergenen, is maar de vraag.

Enriquez noemt ook de skiër Eero Mäntyranta. Waar andere skiërs op lange afstandstochten uitgeput hun tempo omlaag schroefden, ging Mäntyranta meestal vrolijk door. De oorzaak van Mäntyranta’s bizarre uithoudingsvermogen blijkt een afwijking te zijn in het EPOR-gen,waardoor hij onnatuurlijk veel rode bloedcellen aanmaakt. Daarmee verhoog je de zuurstofaanvoer naar je lichaam. Lange-afstands-atleten zonder zo’n supergen proberen de kloof tussen henzelf en de geboren winnaars te dichten door EPO te slikken. Dat werkt net als het gen en verhoogt het aantal rode bloedcellen. De sportcomités vinden dat doping, maar in hoeverre zijn ‘supergenen’ dat niet, vraagt Enriquez zich af. Iets om over na te denken.

In de Bourne-film wordt gesuggereerd dat Aaron Cross’ wonden zo snel genezen omdat de nieuwe DNA-wijzigingen zijn lichaamscellen iets sneller energie laten verbranden. En dus repareren ze wonden iets sneller. Of het zo simpel werkt is maar de vraag, maar ook daar zit een kern van wetenschappelijke waarheid in.

De energiefabriekjes in onze cellen – de mitochondriën – zijn doorslaggevend voor wondgenezing. Wanneer je een lapje huid plus cellen verliest, door bijvoorbeeld een messnede of een lelijke val, worden de cellen rondom de wond bijzonder actief. De cellen rondom de wond pompen als gekken hulpstoffen naar de plek des onheils. Bloedstollingseiwitten bijvoorbeeld, en bindweefsel om je gapende gat dicht te naaien.

Om dat snel genoeg te kunnen, moeten de mitochondriën in deze hulpcellen topprestaties leveren. Ze verbranden energie als gekken; vandaar dat de wond warm wordt. Uit onderzoek blijkt dat wanneer je de zweep op de mitochondriën legt, wonden nóg sneller kunnen genezen. Voorlopig werkt die truc alleen als je de cellen rondom de wond met een laser bestraalt. De laser is een kunstmatige manier om de mitochondriën harder te laten werken, maar wie weet valt zoiets met een genetisch trucje aan te sturen. Waar de film met realiteit breekt, is dat dit trucje, als ‘ie al bestaat, nog niet is ontdekt.

Toch blijft het de vraag of al je deze handige eigenschappen kan combineren in één mens. Want wie weet gaat een hoog EPOR-gehalte en dus uithoudingsvermogen juist niet lekker samen met supersnelle wondgeneeskracht. En als een groot deel van je energie naar het branden van bruin vet gaat, trekt dat dan weer niet aan je uithoudingsvermogen? De mogelijkheden voor gentherapie mogen dan wel in principe eindeloos zijn, maar er zijn grenzen waar je zelfs met nieuwe genen geen oplossing voor kan vinden. Te veel bruin vet en op een gegeven moment wordt het lichaam een keer te warm. Je kan zoveel uithoudingsvermogen hebben als je wil, maar je ademt niet meer zuurstof dan er in je longen past.

Ronald Veldhuizen

freelance wetenschapsjournalist | boek: Eet Mij | onderwerpen: eetgedrag, evolutie, psychologie, mariene biologie | fotograaf | amateurfilosoof

Leave a comment

name*

email* (not published)

website